Blog

Verdeling van verweven gemeenschappen

Inleiding

In de praktijk komt het regelmatig voor dat tijdens het bestaan van de oudere gemeenschap een aandeel hierin deel is gaan uitmaken van een jongere gemeenschap. Dit resulteert in het ontstaan van een zogenoemde verweven gemeenschap. In dit artikel betreft ‘de oudere gemeenschap’ een nalatenschap van een erflater en ‘de jongere gemeenschap’ een ontbonden huwelijksgemeenschap. In dit licht kunnen problemen zich voordoen als wij ons richten op de verdeling van een dergelijke verweven gemeenschap. Zo dienen aan de rechtshandeling van verdeling alle deelgenoten mee te werken, op straffe van nietigheid of vernietigbaarheid. In dit kader kunnen er moeilijkheden ontstaan wanneer een nalatenschap openvalt tijdens het huwelijk, maar de verdeling ervan plaatsvindt nadat de echtscheiding is uitgesproken. Om deze kwestie concreet te maken komt de vraag in twee differentiërende rechtbankuitspraken aan de orde of een ex-echtgenoot van een erfgenaam bij de verdeling van een nalatenschap moet worden betrokken indien het geërfde aandeel in de huwelijksgemeenschap viel die is ontbonden na het overlijden van de erflater, maar vóór de verdeling van diens nalatenschap. De verhouding tussen de oudere en jongere gemeenschappen met betrekking tot de medewerking van deelgenoten aan de verdeling daarvan zullen daarom in dit artikel onder de aandacht worden gebracht. Hierbij zal de voornoemde vraag en problematiek die dit met zich meebrengt voor de notariële praktijk centraal staan.

 

Verdeeldheid literatuur en jurisprudentie

De bestuursregeling van art. 1:97 BW geldt zolang het huwelijk nog niet is ontbonden door echtscheiding. Hoewel de geërfde goederen tot de huwelijksgemeenschap gaan behoren, staat een goed dat een echtgenoot krachtens erfopvolging bij versterf heeft verkregen enkel onder diens bestuur. Na de ontbinding van het huwelijk zijn artt. 3:189 lid 2 jo 3:170 BW van toepassing en geldt een collectieve bestuursmacht. Onduidelijk is nu of beide ex-echtgenoten, die deelgenoten van de ontbonden huwelijksgemeenschap zijn, aan de verdeling van de nalatenschap moeten meewerken. 

 

Over deze kwestie bestaat verdeeldheid in de literatuur en jurisprudentie. Zo zijn er verschillende visies die de ex-echtgenoot bij de verdeling van de nalatenschap ‘insluiten’ of juist ‘uitsluiten’. Ook in de jurisprudentie wordt er niet eenzelfde lijn getrokken. In de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden is bepaald dat het erfdeel, gelet op het bepaalde in art. 1:94 lid 3 BW, wel in de huwelijksgemeenschap valt maar enkel de erfgenaam bestuursmacht hierover heeft omdat onder andere de verknochtheid van art. 1:94 BW zich verzet tegen het collectieve bestuur van het erfdeel. Hierdoor hoeft de ex-echtgenoot van de erfgenaam aan de verdeling van de nalatenschap zijn medewerking niet te verlenen. Daarentegen heeft de rechtbank Utrecht bepaald dat er sprake is van een nietige verdeling gezien de ex-echtgenoot van de erfgenaam op grond van art. 3:170 lid 3 BW bij de verdeling van de nalatenschap betrokken had moeten worden. De rechtbank legt hieraan ten grondslag dat de nalatenschap openviel op het moment dat hij nog met de betreffende erfgename in gemeenschap van goederen was gehuwd en het feit dat de verdeling pas na ontbinding van de huwelijksgemeenschap plaatsvond, doet daar niet aan af. Deze tweedeling in de jurisprudentie is ook terug te vinden in de literatuur. Zo volgt de rechtbank Leeuwarden Van Mourik zijn visie terwijl de rechtbank Utrecht op dezelfde lijn zit als Perrick. 

 

(On)afhankelijke behandeling oudere en jongere gemeenschap

Van Mourik is van oordeel dat het in strijd is met de grondbeginselen van het erfrecht dat een niet-erfgenaam als deelgenoot optreedt in een nalatenschap op de enkele grond dat hij met een erfgenaam in gemeenschap van goederen gehuwd is of was. De voorzieningenrechter sluit zich hierbij aan. Daarbij is hij van mening dat wanneer de collectieve bestuursmacht inhoudt dat beide gewezen echtgenoten moeten meewerken aan de verdeling van de nalatenschap waarin een van hen is gerechtigd, dit in strijd zou komen met de ongeschreven regel dat de oudere en de jongere gemeenschap ter zake van de verdeling onafhankelijk van elkaar moeten worden behandeld. Van Mourik legt de parlementaire geschiedenis hieraan ten grondslag door te stellen dat er onderscheid dient te worden gemaakt tussen het bestaan van een oudere gemeenschap en een – daarvan deel uitmakende – jongere gemeenschap. Zo wordt de jongere gemeenschap voor de toepassing van de regels betreffende de verdeling als een zelfstandige gemeenschap gezien. 

 

Daartegenover staat de visie van Perrick. Vaststaat dat het een verdeling van een huwelijksgemeenschap betreft waartoe het aandeel in een onverdeelde nalatenschap aan één der echtgenoten is toegekomen. Echter, Perrick is van mening dat de verdeling van deze huwelijksgemeenschap voorafgaande aan de verdeling van de nalatenschap niet aldus kan geschieden dat aan een deelgenoot in de ontbonden huwelijksgemeenschap het aandeel in een goed der nalatenschap wordt toebedeeld en aan een andere het aandeel in een ander goed der nalatenschap. Art. 3:190 lid 1 BW verzet zich hiertegen. 

Daarbij stelt hij dat de verdeling van de jongere gemeenschap en de verdeling van de oudere gemeenschap ook kunnen indien men aanneemt dat de beide ex-echtgenoten aan de verdeling van de nalatenschap van de erflater moeten meewerken, afzonderlijk van elkaar plaatsvinden. Zo zal volgens hem voordat de jongere gemeenschap wordt verdeeld, eerst de oudere gemeenschap moeten worden verdeeld, ex art. 3:190 lid 1 BW. Ingevolge de stellingen van Perrick zullen aan de verdeling van de oudere gemeenschap alle deelgenoten, dus ook de ex-echtgenoot, moeten meewerken op grond van art. 3:170 lid 3 BW. 

 

Notariële praktijk

Als notaris wil je voorkomen dat je meewerkt aan een nietige of vernietigbare rechtshandeling. Zo zal het voor de notaris, gelet op de nietigheid dan wel vernietigbaarheid van art. 3:195 BW, een onveilige keuze zijn om een ex-echtgenoot van een erfgenaam niet aan de verdelingstafel te laten plaatsnemen. Wegens grote onduidelijkheid op dit punt, is het verstandig als de notariële praktijk blijft vasthouden aan de regel dat bij samengestelde verdelingen alle deelgenoten, dus in bovengenoemde kwestie niet alleen de erfgenaam maar ook de ex-echtgenoot van de erfgenaam, dienen mee te werken aan de verdeling daarvan. 

 

Ook al is bovenstaande optie het veiligst, het is niet altijd de meest eenvoudige en voortvarende keuze. Zo kan de ex-echtgenoot van een erfgenaam wanneer hij niet aan een nalatenschap wenst mee te werken het verdelingsproces flink vertragen en mogelijk de andere deelgenoten in de nalatenschap ongewenst betrekken in het conflict tussen de ex-echtgenoten. Tegen dit ongewenste gedrag bestaan echter wel enkele oplossingen. In eerste instantie had de erflater een dergelijke situatie kunnen voorkomen door een testament te maken en aan de erfstelling een uitsluitingsclausule te verbinden ex art. 1:94 lid 1 BW. Indien de erflater dit heeft nagelaten en de ex-echtgenoot van de erfgenaam zich ongewenst gedraagt in het verdelingsproces van de nalatenschap, is het denkbaar dat hij zijn inspraakbevoegdheid verliest doordat hij deze misbruikt. Zo kan er in een dergelijk geval sprake zijn van misbruik van bevoegdheid in de zin van art. 3:13 BW. Tevens zal, indien de ex-echtgenoot van de erfgenaam de verdeling van de nalatenschap bemoeilijkt, de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat de overige deelgenoten kunnen eisen dat eerst de huwelijksgemeenschap dient te worden verdeeld. Tot slot is een remedie de benoeming van een onzijdig persoon ex art. 3:181 BW en het inroepen van de hulp van de rechter ex art. 3:185 BW.

 

Daarnaast valt er nog meer te zeggen voor het betrekken van de ex-echtgenoot van de erfgenaam in de verdeling van de nalatenschap. Wanneer hij namelijk niet betrokken wordt, kan de ex-echtgenoot die wel erfgenaam is zich bij een verdeling van de nalatenschap laten onderbedelen zonder dat daar een vergoeding van de overige erfgenamen tegenover staat. Hierdoor wordt de ontbonden huwelijksgemeenschap en daarmee de ex-echtgenoot van de erfgenaam benadeeld, zonder dat hij op enige wijze wordt beschermd. 

 

Het bovenstaande in overweging genomen, kan het advies aan een notaris op zijn plaats zijn om in de redactie van de akte van verdeling en levering te kiezen voor een passage waarin wordt vastgesteld dat de ex-echtgenoot van de erfgenaam de levering en de daaraan ten grondslag liggende verdeling van de nalatenschap aanvaardt.

 

 

 

Literatuurlijst

- Asser/Perrick 3-V 2019

S. Perrick, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 3. Vermogensrecht algemeen. Deel V. Gemeenschap, Deventer: Wolters Kluwer 2019.

- Boshouwers REP 2011/4

K. Boshouwers, ‘De scheiding en de dood (tweede akte). Een aantal effecten van een overlijden op de echtscheiding’, Tijdschrift relatierecht en praktijk, Den Haag: Sdu Uitgevers 2011.

- Van Es, JBN 2011/14

P.C. van Es, ‘Een gemeenschap binnen een gemeenschap: alle deelgenoten delen mee’, JBN 2011/14.

- Van der Geld ET 2010/5

L.A.G.M. van der Geld, 'De ex-echtgenoot van een deelgenoot in de verdeling van een nalatenschap: ‘in’ of ‘out’?', TE 2010-5.

- Luijten, JBN 1994/33

E.A.A. Luijten, ‘Verdelingsproblematiek: moeten alle deelgenoten medewerken?’, JBN 1994/33.

- Van Mourik WPNR 1990/5977

M.J.A. van Mourik, ‘Oudere en jongere gemeenschappen’, WPNR 1990/5977.

- Van Mourik WPNR 1991/6011

M.J.A. van Mourik, ‘Naschrift bij de reactie van prof. mr. S. Perrick. Opnieuw: oudere en jongere gemeenschappen’, WPNR 1991/6011.

- Van Mourik 2008

M.J.A. van Mourik, Erfrecht, Deventer: Kluwer 2008.

- Van Mourik 2015. 

M.J.A. van Mourik & F.W.J.M. Schols, Gemeenschap (Monografieën BW, nr. B9), Deventer: Wolters Kluwer 2015.

- Perrick WPNR 1991/6011

S. Perrick, ‘Reactie. Opnieuw: oudere en jongere gemeenschappen’, WPNR 1991/6011.

- Sikkema (AN nr. 168) 2018

T.H. Sikkema, Beginsel en begrip van verdeling (Ars Notariatus nr. 168) (diss. Leiden), Deventer: Wolters Kluwer 2018.

Jurisprudentielijst

- Rb. Leeuwarden 19 november 2008, ECLI:NL:RBLEE:2008:BG4914.

- Rb. Utrecht 12 mei 2010, ECLI:NL:RBUTR:2010:BM4456.

 

Kamerstukken

- Parl. Gesch. BW Boek 3 1981

C.J. van Zeben & J.W. du Pon (m.m.v. M.M. Olthof) (red.), Parlementaire geschiedenis van het Nieuwe Burgerlijk Wetboek. Boek 3. Vermogensrecht in het algemeen, Deventer: Kluwer 1981.

 

Verdeling van verweven gemeenschappen


Loyens & Loeff sollicitatietips
07jan

Loyens & Loeff sollicitatietips

Beste leden van BNSL, Graag stel ik mij even aan jullie voor. Ik ben Sjifra en ik ben recruiter bij Loyens & Loeff. Samen met mijn...

Reacties

Log in om de reacties te lezen en te plaatsen